| dagteekening van de inschrijving: | Edam, den 29 juli 1911 |
| uitgeoefend wordende visscherij: | kustvisscherij |
| bijzonderheden van het vaartuig: | half ged. kielvaartuig. Woordje "kiel" later doorgehaald, gestempelde (!) tekst "platbodem" erbij gezet. |
| Bruto inhoud: | 30 m3, netto inhoud 24 m3 |
| Naam: | de Jonge Hendrik |
| Naam en voornamen van den eigenaar: | Kwakman, Klaas (dit is "Klaassie van de Burgemeester", de eerste eigenaar). |
| Woonplaats: | Edam (Volendam), wijk 8 no. 33 |
| Vermeldenwaardige bijzonderheden betreffende de soort en de plaats der visscherijen: | Visscherij met gaand en staand want. Uitsluitend Zuiderzee. |
| Consent no. 171 Juli 1911 |   |
Op deze zelfde kaart zijn tweemaal wijzigingen aangebracht, d.m.v. doorhalingen en toevoegingen.
De eerste wijziging als dagtekening 30 januari 1913 en betreft wijziging van eigenaar en scheepsnaam: de eigenaren worden: "Smit, Jacob en Cornelis". Met als adres: wijk 8, no. 288 en wijk 7, no. 183. De scheepsnaam wordt: "de Twee gebroeders" . Ook de tonnematen gewijzigd, naar 91 ton bruto en 41 ton netto. Blijkbaar werd er overgestapt op een andere tonnen-definitie.
De tweede wijziging heeft als dagtekening 7 augustus 1915 en betreft het wegstrepen van broer Cornelis (Kees) als mede-eigenaar. De naam wordt tevens veranderd in "de Drie gebroeders". Ter verklaring van deze wijziging, hier een citaat uit het verhaal wat Jaap Mol in 1983 over de VD172 vertelde (met dank aan www.bottercompagnie.nl):
"Het samen schipper zijn met zijn broer Kees, die men Niekie noemde, daar klopte geen moer van. En dat was ook eigenlijk niet te verwonderen, want die man was niet normaal en naarmate hij ouder werd is dat erger geworden. Niekie had vanaf zijn elfde jaar meestal op de Huizer vloot gevaren en ook wel eens op de haringteelt op een Vlaardingse logger. Hierdoor viel zijn afwijking niet zo erg op, omdat men in de veronderstelling was dat hij vervreemd was van Volendam. Bovendien werd Niekie door alle schippers van Huizen geprezen. En zo kon het dan dat een oom van hem, Jan Kwakman (Ballap), een geboren Schokker, van mening was dat het vreemde gedrag van Niekie kwam door het samen schipper zijn. Als hij zelf schipper zou zijn zou het wel weer beter gaan, zo was zijn mening. Oom Ballap trok z'n beste pakkie aan en kreeg het rond dat Kees Smit (Niekie) in het vroege voorjaar van 1915 een nieuwe botter kreeg die gemaakt was bij Dirk Kater in Monnickendam. Het was een goed schip en kreeg het visserijnummer VD117. Toch had Jan Ballap zich vergist, want het werd wel erger met Niekie, maar beslist niet beter. En zo was Japie Smit toen in dat vroege voorjaar van 1915 zelf en alleen schipper-eigenaar van de VD172 geworden."
De exacte reden voor de naamswijziging, van Twee naar Drie gebroeders, zal wel voor altijd onduidelijk blijven.
In het verhaal van Jaap Mol is ook te lezen, dat in januari 1921 Evert Karregat (bijnaam: Meulwijk) als knecht aan boord komt. Op 25 februari 1924 is schipper Jaap Smit verdronken vanaf de VD172. Ook deze gebeurtenis wordt uitgebreid beschreven in de vertelling van Jaap Mol. Evert Karregat (Meulwijk) wordt dan noodgedwongen zetschipper. In de jaren '20 tot en met '25 waren er magere ansjovisteelten, waardoor het slechte visserij jaren waren. De weduwe Smit besluit daarom in de winter '25-'26 de botter van de hand te doen aan Evert Karregat.
Dit leidt tot een wijziging op kaart 2, met als dagtekening 21/12/1925.
De eigenaar wordt nu Evert Karregat met als adres wijk 7, no. 63.
De scheepsnaam wordt Alida.
Het aantal der bemanning wordt 2.
Bij de bijzonderheden wordt "staand want" doorgehaald, zodat alleen "gaand want" over blijft.
Kennelijk wilde Evert alleen kulen en niet toeken (hoekwantvisserij) met de VD172.
Kaart 2 is op 15/8/1932 voorzien van een stempel: "1932 doorgehaald wegens afsluiting Zuiderzee".
|
vaartuigsoort: zeilbotter met hulpmotor gebouwd van: hout bouwjaar: 1904   |
bruto: 104,21 m3 netto: 46,90 m3 bruto: 36,82 registertonnen netto: 16,57 registertonnen |
lengte: 14,18 m breedte: 5,0 m omvang: 8,15 m (??)   |
Hoofdbedrijf: gaandwant Plaats: IJsselmeer Bemanning: 2-3   |
Een aantal dagen daarvoor was de vader van Klasie, Hendrik Kwakman, die om zijn trots de bijnaam 'Burgemeester' had gekregen, in Edam om de nieuwe botter van zijn zoon onder de naam 'Jonge Hendrik' in te laten schrijven. Daar vernam hij dat het de VD372 zou gaan worden. (Met deze botter had Volendam toen 177 grote botters, ook wel kwakken genoemd en 22 kleine botters). Waarom de vader van Klasie de botter van zijn zoon onder zijn eigen naam liet inschrijven is nooit meer te achterhalen. Misschien is dat wel zijn trots geweest tegenover die ambtenaar van Edam, om ondanks zijn hoge leeftijd toch nog een nieuwe botter te beginnen. Maar goed, daar lag dan de VD372 nieuw voor de wal, op het oog een prachtig vaartuig, en zoals dat altijd ging met een nieuwe botter, was er belangstelling genoeg.
Jan Mol, de havenmeester van Volendam, een oude rot in het vak, zag het echter niet zo zitten met die VD372. Toen ze met zijn tweeen van bakboord naar stuurboord liepen ging de botter flink heen en weer. Jan Mol kreeg gelijk, want het was een onding, deze botter. Zeven jaar later liet Klasie van de Burgemeester weer een nieuwe botter maken, maar nu bij Kok in Huizen. De VD372 (later werd het nummer veranderd in VD172) werd in het najaar 1911 verkocht aan de gebroeders Kees en Japie Smit.
In 1915 kreeg Kees Smit (Niekie) zelf een botter en werd Japie Smit alleen eigenaar van de VD172. Hij was een van de bekwaamste vissers die Volendam ooit heeft gehad. Hij behoorde dan ook altijd bij een van de tien hoogste besommers van de vloot. Hij ging zijn eigen gang op zee en keek nooit naar een ander. Japie Smit had als knecht Sijmen Tol (Knoest) aan boord. Deze kocht in 1921 zelf een botter, de VD99. Nu werd Evert Karregat knecht en zowel met Sijmen Tol als met Evert Karregat had Japie Smit het geweldig getroffen.
|
 
|
In de week van 15 februari 1924 was de dooi ingevallen. Op zaterdag werd de haven opengebroken, zodat de vloot maandag zou kunnen uitvaren. De schippers voeren uit, maar 's middags begon het weer te sneeuwen en te vriezen. De botters moesten terug; de vaartuigen werden spiegelglad. De haven dreef vol met drijfijs. Een aantal botters, waaronder de VD172, had buiten de haven liggen wachten en toen er ruimte was, gingen ze achter elkaar de haven in. Doordat de VD172 teveel afgeremd werd door het ijs, voer de VD70 hem achterop. Evert Karregat stond op de plecht en keek vooruit om de zwakste plekken aan te wijzen en voelde dat de botter werd aangevaren. Verschrikt keek hij achterom en zag nog juist de hand van zijn schipper boven het ijs uitkomen. Evert liet direct de zeilen zakken en gooide het anker buiten boord. Hoe het gegaan is heeft niemand gezien, maar aangenomen wordt, dat Japie Smit op het spiegelgladde achterhuisje van de botter is geklommen, om de VD70 met zijn handen af te houden. Op maandag 25 februari was de VD172 zonder schipper aan boord in de haven gekomen.
Evert Karregat kocht de botter voor f. 3.000,- van
Jannetje Smit. Het zat
Evert Karregat mee, want 1926 en 1927 waren goede ansjovisjaren. In die twee
jaar viste hij de botter boven water. Hij was een van de beste schippers die
Volendam ooit heeft gehad. Tot 1960 viste Evert met de VD172. In dat jaar
werd de kwak verkocht aan Sijmen Tol (Knoest) die zijn eigen botter, de
VD99, had weggedaan. Sijmen gaf hem het nummer van zijn oude botter. Twee
jaar later werd Sijmen 65 en stapte aan wal."
Tijdens de oorlogjaren '40-'45 is het schip gebruikt door onderduikers, waartoe in het vooronder een geheime schuilplaats was gemaakt. Ook heeft het schip in de hongerwinter deelgenomen aan het aardappelvaren van Friesland naar Amsterdam (waarvan de naam van de botterwedstrijd 'Pieperrace' afstamt). In 1960 kocht Sijmen Tol (van de Knoest) de botter en gaf het vaartuig het nummer van zijn vroegere botter, de VD99. De kwak kwam in 1965 in particuliere handen. Op de schepenlijst van de Vereniging Botterbehoud kwam deze botter te staan onder nummer VD99.
1971 - 1978
Uit de periode van 1965 tot begin jaren zeventig is (nog) niets bekend. Maar gelukkig ontvingen
wij niet zo lang geleden (juni 2006) een e-mail van mevrouw Riede, die samen met haar toenmalige man
C.A. Wijnschenk Dom het schip in 1971 of 1972 in Amsterdam vonden. We zijn mevrouw Riede erg dankbaar
voor de invulling van dit hiaat in de geschiedenis van het schip, te meer omdat het een aantal
eerdere onjuistheden corrigeert. De onderstaande tekst ik een bewerking van haar bericht.
Begin jaren zeventig hebben zij het schip gekocht van een kunstenaar in Amsterdam, die het als zeer primitieve woning gebruikte.Op dat stond er een kajuit op de deken. De bun zat er nog in, maar de trog was gesloopt. Het vooronder was helemaal kaal. Het schip was volledig in blik geslagen. Dankzij al dit blik en het ijzeren schot bestond het schip nog. Op meerdere plaatsen was het blik van binnen te zien. Vele inhouten en huidgangen konden ze er met stoffer en blik uit vegen. Het schip is naar Ouderkerk aan de IJssel gesleept achter de VD37, die helaas niet meer bestaat.
Mevrouw Riede vervolgt: Ter plekke lag hij bij een houtzagerij op een plaats waar door getijde het schip droogviel en we dus ook onder de waterlijn konden werken. We hebben in de loop van de jaren keihard gezwoegd en zeker de helft van de inhouten en huidgangen vervangen. Het hout is altijd uit Monnikendam gekomen, die voor zo'n beetje alle "botterbehouders" krom gegroeid hout leverde. Daar kwam ook de nieuwe mast(een Douglasspar, ongestaagd zoals het hoort) vandaan. Ook hebben we nieuwe zwaarden en een nieuw roer gemaakt,een nieuwe kluiverboom, giek en gaffel,een nieuwe plecht, een nieuw zeilwerk en een nieuwe dekenpoten, deken en trog. Ook het vooronder hebben we zo veel mogelijk origineel ingericht met een schot, dwarskooi,een authentiek kacheltje enz.;de kajuitopbouw hadden we natuurlijk als eerste gesloopt. Het stalen schot hadden we voor de stevigheid laten zitten tot de restauratie echt klaar zou zijn. En dan natuurlijk ook nog nieuwe zeilen, touwwerk en prachtige originele (oa viool-)blokken met buitenbeslag. Kortom gigantisch veel bloed, zweet en tranen en vooral ook geld zijn er van ons gevloeid. Het schip was in zeilende staat toen we door omstandigheden de kwak moesten verkopen We waren ook natuurlijk lid van de vereniging Botterbehoud. We hebben meegezeild bij de jarlijkse wedstrijden, waarbij we gehuurd werden door Grootebroek (als ik het me goed herinner). We waren ook met het schip op uitnodiging aanwezig bij de eerste Sail Amsterdam. We hebben het schip in de winter 1977/78 verkocht. Van deze jaartallen ben ik absoluut zeker; ik weet alleen niet of het voor of na de jaarwisseling was. In het licht van het bovenstaande vond ik het behoorlijk schokkend te lezen hoe Hans Fruytier het schip aangetroffen heeft. Niettemin hoop ik dat ik een bijdrage kan leveren voor de juiste geschiedenis van de VD 172.
In een Tagrijn van 1975 stond de VD99 op naam van C.A. Wijnschenk Dom te Rotterdam en in 1976 was dit H. Bootsma te Emmeloord. Dit klopt niet met het jaartal dat mevrouw Riede noemt, maar een vermelding in Tagrijn betekent niet perse dat het eigendom is veranderd. Het enige wat we van de heer Bootsma (huidige eigenaar van de 'kleine' botter VD153) weten is dat hij niet met het schip vaarde, maar het vooral drijvende hield. Een keer is dit niet gelukt: de kwak zonk in het kanaal waarin het aangemeerd was. Gelukkig kon het weer snel gelicht worden. In 1979 staat de VD99 op naam van H. Fruytier te Amsterdam. Het is ongelofelijk dat het schip nauwelijks twee jaar later in deplorabele toestand werd aangetroffen door de volgende eigenaar. Of viel het misschien wel mee en is de botter pas in de jaren tachtig weer sterk achteruitgegaan? Niemand die het met zekerheid kan zeggen. Het staat wel vast dat in de loop de jaren ontzettend veel hout, geld, bloed, zweet en tranen in het schip is gevloeid. Het hout is er grotendeels weer uitgesloopt, de rest is blijven zitten...
Hans Fruytier begon vol goede moed met de restauratie van het vaartuig; het botternummer VD172 werd in ere hersteld. In 1981 stond te lezen: "VD172 Volendammer Kwak (niet meer in aanbouw)."
Hans legde echter zijn volledige ziel en zaligheid in het schip. Na een paar maanden had hij bijvoorbeeld al een nieuwe mast gemaakt, geheel zelfstandig. Deze mast heeft lange tijd als herkenningspunt op de tijdelijke werf voor de restauratie gestaan. In het schip zijn we diverse restauraties van wisselende kwaliteit tegengekomen. Sommige stukken vernieuwd hout kunnen we met een bezem wegvegen, andere onderdelen waren nog in goede staat, maar hebben niet de juiste vorm of afmeting.
Een voortdurend probleem van Hans Fruytier was geldgebrek. Het was zijn bedoeling om met betalende gasten te gaan varen, maar van betalen kwam het meestal niet. Hierdoor kon Hans niet voldoende onderhoud aan het schip plegen, waardoor de kwak na de restauraties in de beginjaren langzamerhand weer achteruit ging. Het gevolg hiervan was dat het schip ernstig lekte, zowel door de scheepshuid als door de plecht. Tijdens het varen was het dan ook vaak letterlijk 'pompen of verzuipen'.
Dit weerhield de schipper er overigens niet van om lange tochten te maken, onder andere via het wad naar Denemarken. Ook op Sail Amsterdam 1985 was de VD172 present, waarvan nog mooie opnames bewaard zijn gebleven. De vrienden van Hans bewaren nog zeer dierbare herinneringen aan deze avontuurlijke tijd. Zij kwamen nog weleens kijken bij de restauratie en vinden het een mooi initiatief, hoewel van het oude schip vrijwel niets overblijft.
Drooggevallen op de bosplaat, midden jaren '80 (foto: Karel Buysrogge).
Na 1986 ging het snel bergafwaarts, zowel met het schip als met haar eigenaar. Tijdens een hellingbeurt in ca. 1987 ging het mis. Over de oorzaak valt te twisten. Volgens de een is er een fout gemaakt tijdens het hellingen, volgens de ander was het schip, en met name het vlak, te slecht om te worden gehellingd. In ieder geval zakte het schip over de hellingkarren heen waardoor het schip is 'geknakt' en de kielbalk is gebroken. Na enige tijd is het schip onder water voorzien van een aantal dekzeilen en te water gelaten. Dit is een bekende methode om lekke schepen tijdelijk drijvende te houden. Er was een sleepboot geregeld en die pikte hem aan het einde van de steigers op. Na enige meters werden de legendarische woorden "Full speed ahead!" geroepen waarna de sleepbootkapitein dit dan ook deed. De zeilen werden eronder vandaan getrokken en het schip zonk. Vervolgens is het schip door een drijvende kraan geborgen en op een ponton gezet. Voor ooggetuigen was dit een memorabele gebeurtenis. Geld voor herstel was er toen niet, temeer omdat Hans ernstig ziek werd. Hij had niet meer de energie om zich voor het schip in zetten, hoewel hem dit zeer aan het hart ging.
"De Volendammer kwak VD172 (bouwjaar 1904) is qua schip vrijwel uniek. Gezien de cultuur-historische waarde van het schip zal alleen een volledige restauratie kunnen bijdragen tot het behoud van een dergelijk schip in de toekomst"
Door interne problemen bij het museum en geldtekort, is deze restauratie nooit van de grond gekomen. In Enkhuizen schijnt nog een tijdje iemand het wrak als onderdak te hebben gebruikt, maar in wezen was het wachten op de slopershamer: in de jaren 1989-1993 vrijwel niet naar omgekeken.
Totdat in 1993 twee Volendammers, Piet Stuyt en Thomas van der Woude, bij het museum aanklopten met de vraag of ze het schip mee mochten nemen om het op te restaureren. Omdat dit de enige en laatste kans was om het schip te behouden, reageerden men enthousiast. Ook van de rechtmatige eigenaar, de familie Fruytier, kregen we alle medewerking. Voor het symbolische bedrag van 1 gulden werd het vaartuig aan Stichting d'Garnkwak overgedragen.
In juni 1993 is de dekschuit met het schip erop naar Volendam gesleept. Dit was een risicovolle onderneming, omdat ook de dekschuit inmiddels in slechte staat verkeerde (lek, verroest en gammel). Maar goed, op de jaarlijkse culturele evenement 'Volendammerdag' lag het schip in de haven te pronken. Op het plan voor de restauratie werd door de plaatselijke bevolking over het algemeen met veel scepsis en ongeloof gereageerd, met name door de mensen die nog met de schepen hebben gevaren.
Nu heeft Volendam en zijn bevolking wat betreft het behoud van de eens zo trotse vissersvloot geen goede reputatie. Tot begin jaren zeventig werd totaal geen waarde gehecht aan het restant van de kwakkenvloot. De schepen werden gesloopt, verbrand, afgezonken, of in het beste geval verkocht aan een buitenstaander. In 1973 zag de vereniging 'Oud Volendam' in dat het toch wel erg jammer zou zijn als er geen enkel exemplaar van het voor Volendam essentiele scheepstype over zou blijven. De in redelijke staat verkerende VD41 'Papouska', bouwjaar 1917 te Huizen, werd aangekocht en later (in 1975) doorverkocht aan de gemeente. Het zou een trots monument worden van de Volendammer visserij. Van alle plannen kwak uiteindelijk niets terecht en in 1979 kwam het schip in Groningen aan een eerloos einde.
Gezien deze voorgeschiedenis, en de zeer slechte staat van de VD172, kunnen wij achteraf de scepsis volledig begrijpen. Gelukkig was er ook steun voor onze plannen. De gemeente Edam-Volendam stelde een terrein beschikbaar voor de restauratiewerf op het Slobbeland en van een aantal lokale bedrijven kregen we veel steun in natura, zoals het op de wal hijsen van het schip (december 1993), de eerste gereedschappen en andere werfinrichting. De donateursactie van najaar 1993 bracht het eerste geld in het laatje voor de algehele restauratie van de 'Garnkwak'.
Stichting d'Garnkwak
Slobbeland 15
1131AA Volendam
KvK nr. S235982
bankrek. nr: 31.56.51.881
t.n.v. "St. d'Garnkwak"
te Volendam
 
Deze pagina's zijn
gemaakt door
Carlo de Boer.