Het onderstaande volksliedje werd vroeger op Volendam gezongen en is vrijwel uniek in zijn soort. Deze versie is overgenomen uit een van Peter Dorleijn's boeken over de Zuiderzeevisserij, Van Gaand en Staand Want II. Hierin staan twee versies vermeld, die beide uit de overlevering zijn opgetekend. In een boek van B.W.E. Veurman, 'Volendam, Leven en Lied' (Arnhem 1968) is weer een andere versie opgenomen. Waarschijnlijk is het liedje rond 1900 ontstaan, maar het zou ook ouder kunnen zijn. Het wijsje is vrij eenvoudig en op Volendam nog bij velen bekend.
De inhoud geeft een geidealiseerd beeld van de werkelijkheid: het leven aan boord van de garnkwak was zwaar; het schip werd met slechts twee man gevaren en alles moest met de hand gebeuren. In de eerste 10 coupletten wordt het visserijgebied bezongen, van Volendam door de huidige Gouwzee via Uitdam naar het IJ, vervolgens naar het Gooi en Harderwijk en weer terug via de Kuil van Marken. De laatste 4 coupletten geven weer wat er na de visserij moet gebeuren. Gerritje is de parlevinker die de schepen van victualien voorzag. Piet Jonk en Martien waren destijds de lokale kroegbazen. Het afsluitende couplet is tegen alle regels in: in het streng katholieke Volendam was een dutje onder de preek uiteraard uit den boze.
De bladmuziek is afkomstig uit Nederlandse volksliederen oud en nieuw door Rob Smaling (1978, uitgeverij Het Spectrum), waarin de versie van Veurman is overgenomen. Hierin heeft het liedje de titel 'Wie rijk wil worden op z'n gemak' meegekregen. Mijn dank hiervoor aan Margje Haringa en muziekgroep Stroop, die het mij hebben toegezonden.
 
Falderalderie, falderaldera en hoera, hoera, hoera
Van de Volendammerhoek tot de rijzedam
Daar schep je je in de garne lam
Van de rijzedam tot het hoekie van de Nes
Daar vang je beslist een lit of zes
Van het hoekie van de Nes tot de Uitdammerhoek
Daar vang je de garne al met er je broek
Van de Uitdammerhoek tot aan het IJ
Daar vang je er ook nog wat aaltjes bij
Van het IJ tot aan het hard
Vang je de garne klein en zwart
Van het Hard tot aan het Gooi
Daar vang je de garne o zo mooi
Van het Gooi tot aan de Knaar
Daar vang je de garne kant en klaar
Van de Knaar tot Harderwijk
Daar vang je een aatje vol met blijk
Van Harderwijk tot in de Kuil
Daar zit het inkel vol met vuil
En komen ze dan 's morgens aan de stad
Dan vragen ze heb je Gerritje al gehad
En komen ze dan zaterdags bij Piet Jonk
Dan zegge ze dat het water stonk
En enkele zitten bij Martien
En vragen heb je Gerritje al gezien
En komen ze dan bij moeder de vrouw
Dan vraagt ze waar is m'n zooitje nouw
En zondags doen ze een dutje onder de preek
Om uit te rusten van die kwakkenweek
Een recente uitvoering van 'De Garnekwak' (of 'de Garrekwak') wordt
gezongen en gespeeld door de 'Enkhuizer Sjappetouwtjes', met Andre Visser als
solo-zanger. Van Karel Buysrogge kreeg ik het
lied
op mp3 formaat (3.2 Mb), met toestemming van de vertolkers.
Sjappetouwer is overigens een bijnaam van de Oostindie-vaarders;
eigenlijk een verbastering van het maleise "siapa taoe", wat betekent
'wie weet' oftewel 'wie zal het zeggen', ook wel 'weet ik veel', een
uitdrukking die kennelijk vaak door de Oostindie-vaarders werd gebezigd.
Een andere uitvoering van 'De Garnekwak' staat als MP3 op deze site , waar ook een kopie van deze pagina te vinden is.
Stichting d'Garnkwak
Slobbeland 15
1131AA Volendam
KvK nr. S235982
bankrek. nr: 31.56.51.881
t.n.v. "St. d'Garnkwak"
te Volendam
 
Deze pagina's zijn
gemaakt door
Carlo de Boer.