Het schip
De sterk aan de botter verwante 'Volendammer Kwak' is
het resultaat van een ontwikkeling
vanaf de Middeleeuwen tot aan het einde van de vorige eeuw.
Het schip, 16 meter lang en 4,5 meter breed, is uitermate
geschikt is voor een specifiek doel: de zeilende
visserij op de Zuiderzee en Noordzee, en dan met name voor een
bepaalde vismethode, de zogenaamde kwakkuil visserij. Bij deze manier
van vissen wordt het net achter het schip aan twee bomen over de zeebodem
gesleept, terwijl er pal voor de wind wordt gevaren. Een groot aantal
karakteristieke eigenschappen van het schip kan direct worden verklaard
met dit gebruiksdoel:
-
platbodem .
Omdat de visgebieden op de Zuiderzee nogal ondiep waren, konden alleen
schepen met een beperkte diepgang goed uit te voeten. Platbodems zijn dan
uitermate geschikt. Een ander voordeel van het platte 'vlak' houdt verband
met de visserij. Vroeger moest de vis levend worden bewaard in de
bun , waarvan het vlak de onderkant vormt. Als dit rond
zou lopen, zou alle vis op een hoop terecht komen en gemakkelijk stikken. Op
het platte vlak kan de vis (m.n. bot ) zich daarentegen goed
verspreiden.
Om verlijeren (dwars met de wind mee wegdrijven) tegen te gaan, zijn bij
een platbodem in plaats van een midscheepse kiel de karakteristieke
zijzwaarden nodig.
Een voordeel van zijzwaarden ten opzichte van de vaste kiel is dat ze op
voordewindse koersen uit het water kunnen worden gehaald, waarmee de
weerstand door het water wordt verkleind.
- bun.
Midscheeps zijn er vier grote ruimen waarin de gevangen vis levend kan
worden bewaard. Deze ruimen, ook wel 'de bun' genoemd, is als het ware
een grote rechthoekige kist die in het middenschip onder de waterlijn is
geplaatst. Er kan vrijelijk water door deze ruimen stromen via gaatjes
in de koperen platen die onder de waterlijn aan de
huid
zijn bevestigd. Aan de bovenkant is de bun afsloten door de zogeheten
deken.
Dit is een zwaar uitgevoerd dek over de hele breedte van
het schip, bestaande uit de twee
lijfhouten
aan de zijkanten en
vier dekendelen van 8 cm dik. Naast afsluiting van de ruimen dient de
deken ook als werkvloer voor de bemanning: de verwerking van de vis
gebeurde op de deken. Vanaf de deken zijn de vier ruimen bereikbaar via
een houten bekisting (de trog) die langsscheeps midden op de deken is
geplaatst. Gevangen vis wordt via de trog in de ruimen geschept en kan
daar later weer worden uitgehaald. In het schip worden de ruimen aan
de voor- en achterzijde begrensd door de hoofdschotten, het
achterhoofdschot
en het voorhoofdschot .
De bun is in
vier ruimen verdeeld door drie
tussenschotten .
De schotten staan
over de breedte van het schip op het vlak en ondersteunen aan de
bovenkant de deken.
-
hoge kop.
De hoge, ronde kop van het schip is nodig om bij slecht weer de hoge
golven op de onstuimige zee te kunnen doorstaan. Kwakken stonden erom
bekend dat ze vrijwel nooit vanwege slecht weer thuis bleven.
-
laag achterschip.
Het achterschip is daarentegen erg laag. Dit was nodig om de netten met
de hand binnenboord te kunnen halen. Een onvermijdelijk risico hiervan is
dat zware zeeën soms van achteren over het schip konden slaan.
-
veel zeil.
Een kwak kan veel zeil voeren. Om voor de wind
vissend voldoende trekkracht te verkrijgen, moest er aan de ongestaagde
houten mast een grote hoeveelheid zeil kunnen worden gevoerd. Naast het
grootzeil en een enorme fok zijn er nog allerlei bijzeilen die met behulp
van allerlei bomen, haken en ogen kunnen worden bijgezet. Een bijzonder
zeil is de 'breefok', een rechthoekig zeil dat bij voordewindse koersen
aan een ra in de mast kan worden gehesen.
Het moet vroeger
een imposant gezicht zijn geweest om een vloot kwakken te zien vissen.
Lees verder: vlak, huid en spanten