De romp van een kwak is, zoals de bij de meeste schepen, opgebouwd uit
de spanten aan de binnenkant
en aan de buitenkant een beplanking
die weer onderverdeeld is in het
vlak aan de onderkant en
de huid aan de zijkanten.
De spanten vormen het geraamte waar
huid en vlak omheen zijn aangebracht. Tezamen zorgen huid, vlak en spanten voor
de algehele stijfheid en sterkte van het schip.
De bodem van het schip, het vlak, is opgebouwd uit zes enorme
planken (vlakdelen)
die in de lengterichting naast elkaar liggen.
De lengte van de delen varieert van zo' n 14 meter in het midden tot
ca. 12 meter aan de zijkanten. De breedte van de delen is 50 à
80 centimeter en de dikte bedraagt 65 millimeter. Oorspronkelijk is het
vlak van eikenhout gemaakt, maar omdat het duurzamer en goedkoper is,
heeft de gerestaureerde VD 172 een vlak van
bilinga, een tropische hardhoutsoort. Bijkomend voordeel is dat deze
houtsoort verkrijgbaar is in lengtes van 15 meter, zodat de vlakdelen
uit één stuk konden worden gemaakt.
In het midden van het vlak zit de kielbalk , die slechts enkele centimeters onder het vlak uitsteekt. Tezamen met de voorsteven en de achtersteven vormt de kiel de ruggengraat van het schip.
Boven de zesde huidgang komt het berghout, een houten stootrand van 18x18 cm die over de hele lengte van het schip doorloopt. Vanwege de lengte en de kromming bij de stevens is het berghout opgebouwd uit drie delen: de achterstuis, het middenstuk (ook wel 'berghout' genoemd) en de voorstuis . De stuizen komen uit krom gegroeide stukken eikenhout, het middenstuk is een rechte balk van ca. 12 meter lang en wordt onder spanning om het schip heen gebogen. Het berghout heeft verschillende functies: het is constructief belangrijk voor het langsverband, het dient als stootrand doordat het buiten de huid uitsteekt, en het accentueert de lijn (of zeeg) in het schip.
Boven het berghout bevindt zich het
boeisel. Dit is evenals de
huidgangen een 4 centimeter dik en op het breedste punt circa 38 cm breed
eikenhouten deel, ook weer opgebouwd uit drie delen voor het
achter- midden- en voorschip. Het boeisel versmald zich naar de stevens
tot een hoogte van een centimeter of 10. Aan de binnenkant van de boeisels
staat het boord bovenop de
koppen van de spanten. Het boord is een tweede stevige balk die aan de
bovenkant van de scheepsromp voor langsverband zorgt.
De spanten in een kwak zijn allemaal van tenminste 18 cm dik eiken gemaakt. In totaal worden in de VD 172 zo'n 130 spantdelen vernieuwd, waarvoor een enorme hoeveelheid ruw hout nodig was. Het is hierbij van groot belang dat het hout van nature de juiste vorm heeft: de meeste spanten zijn namelijk krom, van licht gebogen tot meer dan haakse hoeken. Vooral hout voor de laatste soort, de zogeheten knieën, is moeilijk te vinden.
Alle spanten hebben een naam, die vaak op een nogal plastische manier de vorm of functie aangeeft. De meest voorkomende spanten zijn: leggers, zitters, oplangers, boegbanden en dekenpoten:
legger :
een vrijwel rechte balk van 20x20 cm die in de breedte over het vlak
ligt. Leggers zorgen voor dwarsverband en houden de vlakdelen tegen elkaar.
In het voorschip liggen 7 leggers, in het achterschip 4.
De banden nemen in de
boeg en bij de achtersteven de functie van leggers, zitters en oplangers
over. In de VD 172 zijn in de kop elf boegbanden aangebracht, die elk uit
gemiddeld drie spantdelen zijn opgebouwd, in totaal dus ca. 33 spantdelen.
In het ranke achterschip zijn er verder 8 veel kleinere
bandjes geplaatst.
Deze spanten zijn weggewerkt onder het zogeheten 'achterhuisje', een
vrijwel volledig afgesloten ruimte achterin het schip. Aan de voorkant
hiervan bevinden zicht de staande en liggende
doften, drie brede
platen over de volle breedte van het achterschip die samen een soort
zitbank vormen.
dekenpoot :
op de deken staan op
kleine zitters lijkende 'poten' die voor het
verband tussen de deken en de huid, en huidgangen onderling zorgen.
Een dekenpoot staat met zijn 'voet' op de deken (of preciezer, het
lijfhout ),
en het staande deel staat tegen de huid. Aan beide
zijden van de deken staan 8 dekenpoten (18 centimeter dik) opgesteld.
Daarnaast staan aan de voor- en achterkant van de deken extra zwaar
uitgevoerde spanten: de zogeheten pollen. De pollen aan de achteraan
de deken heten ook wel de
grote pollen
; de pollen aan de voorkant zijn de
kleine pollen.
De kleine pollen ondersteunen de waterbalk, een zware balk die dwarsscheeps
over de achterkant van het voordek ligt.
Deze
spanten zien eruit als overmaatse dekenpoten, die verder
doorlopen op de deken en dikker (minstens 20 cm) zijn. In totaal staan er dus
20 spanten op de deken.
Het verblijf voor de bemanning van het vissersschip bevindt zich voorin, in het vooronder. Dit is afgescheiden van de deken door het (vooronder-) schot. Via een deurtje in het schot is het verblijf toegankelijk. Het dek op het voorschip is tegelijk het dak van het vooronder. Het dek wordt ondersteund door 13 eiken dekbalken en de mastbank . Dekbalken en mastbank rusten op de koppen van de spanten aan weerszijden van het voorschip. In tegenstelling tot de botter kan je in een kwak in het vooronder heel redelijk staan: er is een stahoogte van ongeveer 1,90 meter. Het vooronder is in tweeën gedeeld door het kooischot . De ruimte tussen vooronderschot en kooischot is werd gebruikt om te eten en te koken, terwijl voorin werd geslapen in de 'kooi'. Helemaal voorin was verder nog bergruimte voor netten en zeilen.
Naast de romp van het schip is er de tuigage , die van oudsher voor de voorstuwing zorgt. Het bestaande uit de rondhouten (mast, giek en kluiverboom) en de zeilen (grootzeil, fok, bezaan, kluiver). Een bijzonder zeil is de 'breefok', een rechthoekig zeil dat bij voordewindse koersen aan een ra in de mast kan worden gehesen. Dit is bij uitstek geschikt om voor extra voorstuwing tijdens het vissen te zorgen. De meest beoefende visserij, het kwakkuilen, gebeurde altijd op voordewindse koersen.
Stichting d'Garnkwak
Slobbeland 15
1131AA Volendam
KvK nr. S235982
bankrek. nr: 31.56.51.881
t.n.v. "St. d'Garnkwak"
te Volendam
 
Deze pagina's zijn
gemaakt door
Carlo de Boer.